De rente op onze staatsschuld staat op het hoogste peil sinds de eurocrisis van 2012. Voor wie vers geld belegt, is dat goed nieuws. Voor de staatskas is het een sluipmoordenaar.
Er bestaat een getal dat bijna niemand volgt, dat op geen enkele voorpagina hoort te staan volgens de logica van de clickbait, en dat toch meer over je toekomst zegt dan de helft van wat de politiek deze zomer verkondigde. Dat getal is de tienjaarsrente. En deze week is die gestegen naar 3,80 procent.
Klinkt abstract. Is het niet. Het is de rente die de Belgische staat moet betalen om geld te lenen voor tien jaar, en het is het hoogste niveau sinds begin 2012 — het hart van de Europese schuldencrisis, toen half Zuid-Europa aan de rand van het faillissement bengelde. Sinds januari alleen al klom die rente met 45 basispunten. En dat komt op een bijzonder ongelegen moment.
Wat is die tienjaarsrente eigenlijk?
Voor wie afhaakt bij het woord "basispunt", een korte vertaling, want je moet dit begrijpen om de rest te snappen.
Een staat geeft zijn tekorten niet cash uit eigen zak. Hij leent, door obligaties te verkopen aan beleggers — pensioenfondsen, banken, verzekeraars. Zij geven de staat vandaag geld, en krijgen daarvoor jaarlijks een rente, de zogenaamde coupon. Hoe meer die beleggers vrezen dat een land in de problemen zit, hoe hoger de rente die ze eisen om dat risico te dekken. De tienjaarsrente is dus, in essentie, het wantrouwenspeil van de markt. Hoe hoger het getal, hoe nerveuzer de geldschieters.
En nu staat dat getal op 3,80 procent. De markt is dus nerveus. De vraag is: over wat?
Waarom de rente stijgt (en het niet alleen onze schuld is)
Dit is niet louter een Belgisch probleem. De langetermijnrente klimt wereldwijd, in Europa, de Verenigde Staten en Japan tegelijk. Twee krachten stuwen ze omhoog.
De eerste is inflatievrees. De aanslepende oorlog in het Midden-Oosten houdt olie en gas duur, en het risico groeit dat die hoge energieprijzen doorsijpelen in de prijs van zowat alles. Daarom overwegen de Europese Centrale Bank en andere centrale banken hun rentes weer op te trekken. En als de kortetermijnrente stijgt, sleurt ze de langetermijnrente mee.
De tweede kracht is bezorgdheid over begrotingstekorten, overal. De Verenigde Staten moeten illegaal geïnde invoertarieven terugbetalen, Japan verlaagt de btw op voeding, en Duitsland gooit — na jaren van heilige begrotingsdiscipline — plots de geldkraan open voor defensie en infrastructuur. Overal lenen overheden meer, en hoe meer schuldpapier er op de markt komt, hoe hogere rente beleggers kunnen eisen.
Tot zover de wereld. Nu België, want daar wordt het pijnlijk.
Het Belgische probleem: het diepste gat van de klas
Hier houdt de troost op. Want terwijl elk land met dezelfde wereldwijde tegenwind kampt, staat België er slechter voor dan wie ook. Ons land worstelt met het grootste begrotingstekort van de hele eurozone. Niet een van de grootste. Hét grootste.
En dat maakt die stijgende rente voor ons dubbel zo gevaarlijk. Want de nervositeit van beleggers over overheidsfinanciën slaat het hardst neer op het land dat er het beroerdst voorstaat. Wie al diep in het rood zit, betaalt de hoogste premie voor elke nieuwe euro die hij leent. Het is als de bank die net aan de klant met de grootste schuldenberg de hoogste rente aanrekent — precies wanneer die het zich het minst kan permitteren.
Premier Bart De Wever (N-VA) en begrotingsminister Vincent Van Peteghem (CD&V) moeten zich na het zomerreces over die dieprode begroting buigen. En de cijfers die op hen liggen te wachten, zijn niet mals.
De rekening, in klare euro's
De ellende komt langs twee kanten tegelijk. Ten eerste moet de overheid de komende vijf jaar élk jaar voor meer dan 10 miljard euro aan oude staatsobligaties herfinancieren — leningen die aflopen en vervangen moeten worden. Het probleem: die oude leningen hadden een coupon van minder dan 1 procent, gesloten in de gouden jaren toen lenen zo goed als gratis was. Het nieuwe schuldpapier dat ervoor in de plaats komt, kost al gauw 3,80 procent. En niemand, maar dan ook niemand, verwacht dat de rente terugvalt naar de extreem lage niveaus van 2015-2021.
Reken even mee wat dat betekent. Je vervangt een lening die 1 procent kostte door een die bijna 4 procent kost. Op elke miljard schuld die je herfinanciert, verviervoudigt de rentelast zowat. En dat elk jaar, vijf jaar lang, op meer dan 10 miljard per jaar.
Ten tweede moet het lopende tekort óók gefinancierd worden, tegen diezelfde hoge rente. Het resultaat laat zich raden. Het Monitoringcomité — de begrotingswaakhond — voorspelt dat de jaarlijkse rentelasten van de federale overheid tussen 2026 en 2031 met 11 miljard euro zullen stijgen, tot 23,7 miljard euro per jaar.
Bijna 24 miljard euro. Per jaar. Alleen om rente te betalen. Niet één brug, niet één ziekenhuisbed, niet één leraar wordt daarmee betaald. Het is geld dat verdampt aan de kost van vroegere schulden, voor het ook maar iets nuttigs kan doen.
Waarom dit een sluipmoordenaar is
Een rentelast is de stilste begrotingspost die er bestaat. Ze staat nooit ter discussie, ze wordt nooit weggestemd, er komt geen vakbond voor op straat. Ze moet gewoon betaald worden, automatisch, elk jaar, voor er ook maar één politieke keuze gemaakt kan worden.
Elke euro die naar rente gaat, is een euro die je níét kunt uitgeven aan pensioenen, onderwijs, justitie of defensie. Die 11 miljard extra rentelast is dus in de praktijk 11 miljard aan besparingen of belastingen die elders gevonden moeten worden, alleen maar om ter plaatse te blijven trappelen. Het is de begrotingsequivalent van een gezin dat almaar meer van zijn loon ziet opgaan aan de aflossing van oude leningen, en almaar minder overhoudt om te leven.
De regering-De Wever begint dus niet met een blanco blad. Ze begint met een blad waar de markt al een fors bedrag heeft afgeroomd voor ze überhaupt een beslissing neemt.
En dan het goede nieuws
Waarom is dit góéd nieuws? En dat is het, voor een welbepaalde groep — al is het een schrale troost tegenover de rest.
Wie op dit moment vers geld belegt in obligaties of een spaarverzekering, boekt een hoger rendement dan enkele maanden of jaren geleden. Jarenlang was sparen in vastrentende producten een aalmoes: je kreeg zo goed als niets, en de inflatie at je spaargeld op. Nu een staat 3,80 procent moet betalen om te lenen, betekent dat ook dat wie die staat geld leent — via een staatsbon of een obligatie — eindelijk weer een fatsoenlijke vergoeding krijgt.
De spaarder die zich jaren gekortwiekt voelde, kan dus weer iets verdienen. Herinner je de staatsbon van 2023, die in enkele weken bijna 22 miljard euro wegzoog bij de banken? Bij een rente van 3,80 procent wordt zo'n bon opnieuw een aantrekkelijk product. Wat slecht nieuws is voor de schatkist die moet lenen, is goed nieuws voor de burger die kan uitlenen.
Al is dat, laten we eerlijk zijn, een gedeelde troost met een addertje: dezelfde hoge rente die jou als spaarder blij maakt, betaal je als belastingbetaler gewoon terug via de staatskas. Je verdient met de ene hand wat de gemeenschap met de andere verliest.
Wat het ook voor jou persoonlijk betekent
Nog dit, want deze rente blijft niet netjes binnen de muren van de schatkist. Ze sijpelt door tot in je eigen leven.
Gezinnen en ondernemingen zullen meer rente betalen wanneer ze lenen om een woning te kopen of te investeren. De tienjaarsrente is namelijk de bodem waarop de banken hun hypotheektarieven bouwen. Stijgt die bodem, dan stijgt je woonlening mee. De jonge koppels die vandaag een huis zoeken, voelen dit cijfer straks rechtstreeks in hun maandelijkse afbetaling. En de ondernemer die wil uitbreiden, botst op duurder krediet, wat investeringen afremt — net wanneer de economie die groei het hardst nodig heeft.
Het is dus geen ver-van-mijn-bedcijfer. Het raakt je woonlening, je spaargeld, en via de begroting uiteindelijk je belastingbrief.
De echte les
Dus waarom is dit goed én slecht nieuws? Omdat het beide tegelijk is, afhankelijk van aan welke kant van de lening je staat. Wie geld heeft om uit te lenen, wint. Wie geld moet lenen — en de Belgische staat is de grootste lener van allemaal — verliest.
En daar zit de diepere waarschuwing. Jarenlang leefde dit land op de illusie van gratis geld. Lenen kostte niets, dus stapelde men schuld op schuld zonder dat de rekening ooit echt binnenkwam. Die tijd is voorbij. De 3,80 procent van deze week is de markt die België eraan herinnert dat schuld een prijs heeft, en dat die prijs stijgt naarmate je er dieper in wegzakt.
De regering-De Wever kan na het reces beloven wat ze wil. Maar voor ze één cent kan verdelen, heeft de tienjaarsrente al bepaald hoe smal de marge is. Het cijfertje dat niemand volgt, heeft de begroting al geschreven.
En het staat, voorlopig, in het rood.
(Foto: Didier lebrun/Photonews)