Tussen droom en daad staan wetten in de weg, maar vooral veel ego.
Beleid maken op papier is één ding. Het toepassen op echte mensen blijkt keer op keer een ander verhaal. Wie vanuit een kabinet naar de samenleving kijkt en denkt die met één instrument te kunnen bijsturen, botst vroeg of laat op de weerbarstige realiteit. De terug-naar-werkvoucher van minister Frank Vandenbroucke is daar een schoolvoorbeeld van.
Wat bedoeld was als hefboom om langdurig zieken opnieuw richting arbeidsmarkt te begeleiden, blijkt in de praktijk nauwelijks tractie te krijgen.
Ambitie versus realiteit
De doelstelling was duidelijk: “een paar tienduizend” langdurig zieken per jaar opnieuw activeren. De realiteit na één jaar is een stuk minder indrukwekkend. Van de 924 aangevraagde vouchers werden er uiteindelijk slechts 188 effectief gebruikt.
Dat cijfer staat in schril contrast met de omvang van het probleem. België telt vandaag ongeveer 585.000 langdurig zieken. Het instrument dat hen moest activeren, bereikt voorlopig minder dan een fractie van die groep.
Ondertussen blijft het budget grotendeels onaangeroerd. Ongeveer 16 miljoen euro ligt klaar, maar vindt nauwelijks zijn weg naar de doelgroep.
Complex systeem, lage instroom
De oorzaken zijn bekend en weinig verrassend. De toegang tot het systeem blijkt te complex. Het aanvraagproces via het Riziv is administratief zwaar en foutgevoelig. Voor mensen die al in een kwetsbare situatie zitten, vormt dat een bijkomende drempel.
Daarnaast is de coördinatie tussen betrokken actoren — artsen, ziekenfondsen, werkgevers en begeleidingsorganisaties — fragmentarisch. In plaats van één duidelijke toegangspoort ontstaat een versnipperd landschap waarin de verantwoordelijkheid diffuus blijft.
Het gevolg: een maatregel die op papier logisch oogt, maar in de praktijk moeilijk toegankelijk is.
Versoepeling als correctie
De minister stuurt nu bij. Vanaf juli zullen langdurig zieken al na zes maanden arbeidsongeschiktheid gebruik kunnen maken van de voucher, in plaats van pas na één jaar.
Die versoepeling is logisch. Hoe langer iemand uit het arbeidsproces blijft, hoe moeilijker de terugkeer wordt. Maar ze lost het kernprobleem niet op: een systeem dat te complex is, wordt niet plots efficiënt door het sneller beschikbaar te maken.
Structureel probleem, beperkte oplossing
De terug-naar-werkvoucher maakt deel uit van een breder activeringsbeleid. Volgens de minister - natuurlijk heeft Frank geen ongelijk, toch? - zijn er via andere kanalen wel resultaten: ongeveer 100.000 langdurig zieken zouden gedeeltelijk opnieuw aan het werk zijn.
Toch blijft de vraag in welke mate afzonderlijke instrumenten zoals deze voucher effectief bijdragen aan dat resultaat. Zonder duidelijke integratie in een coherent beleid dreigt het een geïsoleerde maatregel te blijven, met beperkte impact.
Tussen intentie en uitvoering
De case illustreert een terugkerend probleem in het arbeidsmarktbeleid: de kloof tussen intentie en uitvoering. Het idee — begeleiding aanbieden aan wie wil terugkeren — is moeilijk te betwisten. De uitwerking blijkt echter onvoldoende afgestemd op de realiteit van de doelgroep.
Langdurig zieken vormen geen homogene groep. Hun trajecten zijn complex, vaak medisch en psychosociaal bepaald. Een gestandaardiseerd instrument botst dan meteen op zijn grenzen.
De kernvraag
De vraag is dan ook niet of het principe achter de maatregel fout is, maar of het wereldvreemde beleid voldoende rekening houdt met de context waarin het moet functioneren.
Want zolang instrumenten vertrekken vanuit een theoretisch model, zonder de praktische drempels weg te nemen, blijft de impact beperkt.
En dan blijft er van een ambitieus plan vooral één vaststelling over: dat goede bedoelingen zelden volstaan om structurele problemen op te lossen.
(Foto: Philip Reynaers/Photo News)