Het Grondwettelijk Hof laat de hervorming van de werkloosheid bestaan. Het Grondwettelijk Hof laat de beperking van de werkloosheid grotendeels overeind. Maar één vraag blijft onbeantwoord: waar belanden de mensen die uit het systeem verdwijnen?
Het Grondwettelijk Hof heeft de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd grotendeels overeind gehouden. Wie werkloos wordt, krijgt nog maximaal twee jaar een uitkering. De beroepen daartegen zijn afgewezen.
In de reacties klonk dat als een goedkeuring. Dat is het niet.
Het Hof schrijft letterlijk dat de maatregel een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid inhoudt. Die vaststelling staat in het arrest, en ze is niet betwist. Wat het Hof daarna doet, is die achteruitgang afwegen tegen de doelen die de regering opgeeft: de werkgelegenheidsgraad verhogen, het sociale stelsel houdbaar houden en besparen. Die afweging valt in het voordeel van de regering uit. Belgischer wordt het niet: nee, maar toch een beetje ja, maar we zeggen wel nee. En ja, ook ja, ja.
Juridisch mag het dus. Dat is iets anders dan dat het klopt.
Standstill is minder stevig dan het klinkt
De klagers beriepen zich op artikel 23 van de grondwet, het ‘standstillprincipe’: verworven sociale rechten mogen niet zomaar worden afgebouwd.
Dat woordje ‘zomaar’ doet al het werk. Een achteruitgang is toegelaten wanneer ze redelijk verantwoord is, en een legitiem beleidsdoel volstaat daarvoor. Elke regering die kan uitleggen dat ze de werkzaamheidsgraad wil optrekken en de begroting wil redden, komt door die toets.
Standstill klinkt als een slot op de deur. In de praktijk is het een klink.
Wat er wél sneuvelde, en wie dat trof
Eén onderdeel hield geen stand: de overgangsregeling.
De wet bepaalt dat werklozen, afhankelijk van hun loopbaan, minstens één jaar een uitkering behouden. De regering besliste daarnaast dat wie al zeer lang werkloos was, vanaf begin 2026 zijn uitkering al kon verliezen, en dus ten vroegste na zes maanden. Het Hof noemt dat discriminatie, omdat de eigen minimumtermijn van een jaar niet werd gerespecteerd.
Maar kijk eens goed naar wie in die groep zat. Dat waren de mensen die het langst in het systeem zaten, tot meer dan twintig jaar, en dus het moeilijkst opnieuw aan werk raken. Precies zij kregen zes maanden in plaats van twaalf.
Het enige stuk van deze hervorming dat de toets niet doorstond, is het stuk waarmee de regering haar eigen regel opzijschoof ten nadele van de zwaksten in de groep.
Het vangnet waar het Hof naar wijst
Het arrest verwijst uitdrukkelijk naar de sociale bijstand van het OCMW als opvangnet voor wie financieel in de problemen komt. Op papier klopt dat.
In de praktijk betekent het dit. Een werkloosheidsuitkering is een verzekering: je hebt bijgedragen, dus je hebt recht. Een leefloon is bijstand: er wordt gekeken naar je gezinssituatie, naar het inkomen van wie bij jou woont, naar je spaargeld en je bezittingen.
Jambon zei het zelf ondubbelzinnig: het verlies van een werkloosheidsuitkering geeft niet automatisch recht op een leefloon, en de voorwaarden zijn strenger.
Bovendien verschuift de rekening van de federale kas naar de gemeenten. Op termijn kunnen 184.000 mensen hun uitkering verliezen; de regering rekende erop dat een derde daarvan bij het OCMW zou aankloppen. In Vlaanderen alleen raamde de RVA het op 57.400 mensen in twee jaar tijd.
De federale overheid trok daar 234 miljoen euro voor uit in 2026, uitdrukkelijk een minimumbedrag. Leeflonen voor de eerste golf worden dit jaar volledig terugbetaald, in 2027 nog voor negentig procent, daarna tachtig en vijfenzeventig. De afbouw is dus ingepland: het probleem verhuist in vier jaar tijd naar de gemeentekas.
Antwerpen liet weten vijfendertig extra medewerkers nodig te hebben. Oostende koos dan weer voor strengere regels bij het toekennen van een leefloon om de instroom onder controle te houden. Dat laatste is de voorspelbare uitkomst van deze constructie: wie de rekening krijgt zonder de beslissing te hebben genomen, gaat aan zijn eigen loket strenger zijn.
Het cijfer dat niemand kan verklaren
De eerste twee golven zijn intussen gepasseerd: mensen van wie de uitkering stopte op 31 december 2025 en op 28 februari 2026. Uit de opvolging door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten blijkt dat iets meer dan een derde van hen een leefloon aanvroeg bij een OCMW in Vlaanderen.
Iets meer dan een derde. De rest kwam niet.
Waar die mensen dan wel zijn, weet niemand precies. Sommigen vonden werk, en dat is het doel van de hervorming. Sommigen leven van het inkomen van een partner, waardoor ze geen recht hebben op bijstand. Sommigen kregen te horen dat ze niet in aanmerking kwamen. En sommigen hebben gewoon niets meer aangevraagd.
En dat is de pijnlijke kern van de zaak. Wie uit de statistiek van de RVA verdwijnt en niet in de statistiek van het OCMW opduikt, bestaat in geen enkel dossier meer. In een begrotingstabel ziet dat er uitstekend uit: minder uitkeringen, geen extra bijstand. Het is de goedkoopste vorm van beleid die er bestaat, en de duurste voor wie het overkomt.
Dezelfde regering, twee tegengestelde principes
Leg dit dossier nu eens naast dat andere sociale dossier van deze regering.
Bijna 85.000 vastbenoemde ambtenaren staan op ziektepensioen, een systeem dat sinds juni is afgeschaft voor wie nu ziek wordt. Voor die 85.000 verandert er niets, want, zo klonk het, het is niet evident om in te grijpen op verworven rechten. Zij kregen een brief.
Bij de langdurig werklozen was ingrijpen op een verworven positie geen enkel probleem, tot het Hof er een streep door trok.
Verworven rechten zijn dus onaantastbaar wanneer eraan raken geld zou kosten of stemmen, en aantastbaar wanneer eraan raken geld oplevert. Dat is geen principe, dat is een richting.
Waar de hervorming wel verdedigbaar is
En ja, België was vrijwel het enige land in Europa waar een werkloosheidsuitkering onbeperkt in de tijd liep, en die uitzondering viel almaar moeilijker uit te leggen. Onze werkzaamheidsgraad hoort bij de laagste van West-Europa. En wie jarenlang in een uitkering blijft zonder begeleiding, wordt daar niet gelukkiger van; dat zeggen de mensen zelf ook.
Een hervorming was dus verdedigbaar. De vraag is nooit geweest of, maar hoe.
En hoe je het doet, blijkt uit twee dingen: of je je eigen minimumtermijnen respecteert, en of je weet wat er met mensen gebeurt nadat ze uit je systeem verdwijnen. Op het eerste punt heeft het Hof geoordeeld. Op het tweede is er nog geen antwoord.
Wat er nu moet gebeuren
De bevoegde minister zegt de vernietiging te zullen analyseren, en spreekt over compensatie en over de budgettaire impact op 2026.
Voor de mensen om wie het gaat, is dat niet abstract. Zij verloren hun inkomen zes maanden vroeger dan wettelijk mocht, en dat is intussen een halfjaar geleden. In die maanden zijn er huren betaald of niet betaald, zijn er facturen doorgeschoven, zijn er schulden gemaakt.
Een correcte afhandeling betekent dat die maanden worden uitbetaald, automatisch, zonder dat iemand daarvoor een dossier moet indienen bij een dienst waar hij intussen misschien al is afgewezen. Alles wat minder is dan dat, verplaatst de fout van de overheid naar de burger.
Dat is uiteindelijk waar dit dossier over gaat. Niet over de vraag of een uitkering eindig mag zijn. Wel over de vraag of iemand nog opvolgt wat er met een mens gebeurt zodra hij uit de tabel verdwenen is.
(Foto: Didier Lebrun/Photo News)