De theorie botst op de werkelijkheid.
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd werd verkocht als een noodzakelijke schoktherapie. Het uitgangspunt was eenvoudig: wie zijn uitkering verloor, zou sneller werk zoeken én vinden. De maatregel zou mensen activeren, niet in de armoede duwen. Een schop onder de kont moesten ze krijgen. Maar de feiten beginnen de politieke slogans in te halen. En die zijn een pak minder comfortabel voor Bart De Wever en minister van Financiën Jan Jambon.
Nieuwe cijfers tonen dat meer dan de helft van de mensen die hun werkloosheidsuitkering verliezen, uiteindelijk een leefloon aanvraagt bij het OCMW. De besparing verschuift dus voor een groot deel gewoon van de federale begroting naar de lokale besturen.
Het cliché van de profiteur
De Wever en Jambon lieten nooit uitschijnen dat langdurig werkloos zijn een neutrale toestand was. De ondertoon was duidelijk: wie jarenlang thuiszat, had vooral een gebrek aan motivatie. Er was werk genoeg. De arbeidsmarkt schreeuwde om personeel. Wie écht wilde werken, zou wel iets vinden.
Dat beeld paste perfect in het politieke verhaal van "de profiteur" die eindelijk met de werkelijkheid geconfronteerd zou worden.
Alleen blijkt de werkelijkheid iets complexer dan een verkiezingsslogan.
Onder de getroffen groep bevinden zich veel laaggeschoolden, 55-plussers en mensen met een arbeidsbeperking. In Vlaanderen heeft meer dan de helft van de eerste groepen die hun uitkering verloren een arbeidsbeperking of een lage scholing, profielen die aantoonbaar moeilijker aan een baan raken. Om van de mensen met het statuut Welzijn nog te zwijgen. Zij moesten zonder enige vorm van nuance mee op het offerblok.
Van RVA naar OCMW
De politieke communicatie draaide rond activering. De praktijk draait opvallend vaak uit op een ander loket.
Wie geen werk vindt, verdwijnt immers niet zomaar. De huur moet nog altijd betaald worden. De energiefactuur blijft komen. Boodschappen worden niet goedkoper omdat een regering beslist dat een uitkering stopt.
Voor duizenden mensen eindigt de tocht dus niet op de werkvloer, maar bij het OCMW.
Dat betekent ook dat de financiële druk verschuift naar steden en gemeenten, die al langer waarschuwden dat de federale besparing voor hen een extra factuur zou betekenen.
Ideologie is geen arbeidsmarktbeleid
Natuurlijk zitten er tussen langdurig werklozen mensen die misbruik maken van het systeem. Niemand betwist dat fraude moet worden aangepakt.
Maar een volledig beleid bouwen op het uitgangspunt dat de meerderheid gewoon niet wil werken, blijkt een gevaarlijke vereenvoudiging.
Een arbeidsmarkt lost geen structurele problemen op met slogans alleen. Leeftijdsdiscriminatie verdwijnt niet. Gezondheidsproblemen lossen zichzelf niet op. Een gebrek aan diploma's verandert niet omdat de uitkering stopt.
De maatregel heeft voor een deel mensen aan het werk gekregen, maar tegelijk groeit de instroom naar het leefloon sneller dan velen hadden voorspeld.
Wat hebben we vandaag geleerd
Dat politiek vaak draait om stoere verklaringen, en dat de werkelijkheid minder meegaand is.
Dat De Wever de beperking van de werkloosheid serveerde als een noodzakelijke wake-upcall en zijn belangrijkste ridder, Jambon, dat een beleid verdedigde dat uitging van de overtuiging dat de financiële druk vanzelf tot jobs zou leiden.
Vandaag blijkt dus dat voor een groot deel van de getroffen werklozen de eindbestemming helemaal geen arbeidscontract is, maar het OCMW.
Dat is geen succesverhaal. Dat is geen wondermiddel tegen langdurige werkloosheid. Dat is vooral een pijnlijke herinnering dat je maatschappelijke problemen niet oplost door mensen simpelweg hun inkomen af te nemen.
De besparing bestaat op papier. De menselijke én maatschappelijke kost verhuist gewoon naar een ander loket. En precies dat hadden De Wever en Jambon liever niet op hun politieke rapport gezien. Maar wellicht zullen ze daar niet wakker van liggen.
(Foto: Bert Van Den Broucke/Photonews)