In de Vlaamse politiek wordt veel gepalaverd, maar zelden écht gezegd wat men denkt. Tot Jinnih Beels, ex-schepen, ex-kamerlid, ex-alles-bij-Vooruit-behalve-de-slogan, besloot haar memoires open te breken. In ‘Dansen op een slappe koord’ rekent ze niet af met individuele personen (dat is voor insiders), maar met iets veel groter: de almachtige partijmachines die politici sneller verorberen dan een feestbeest met een hongerke op zaterdagnacht.
Beels weet waarover ze spreekt. Voor ze in 2017 in de politiek duikelde, draaide ze bijna vijftien jaar mee in de Antwerpse politie. Geen bubbels, geen partijlijsten, geen intriges. Daarna ging het snel: schepen, even federaal parlement, en toen… tja… de obligate interne knokpartij die eindigt zoals die vaak eindigt: exit Jinnih.
De sprong van ‘onafhankelijk’ naar ‘lidkaart verplicht’
Beels stapte ooit binnen als onafhankelijke: fris, vrijdenkend, ideologisch los van de partijkoeienstal. Alleen: in een partij wordt ‘onafhankelijk’ al snel vertaald als ‘we zien nog wel hoeveel u gaat afwijken voor we je in het gareel trekken’.
Ze kocht toch een partijlidkaart: iets waar ze nu zichtbaar gemengde gevoelens bij heeft. Vanaf dat moment werd ze, zo zegt ze zelf, geacht te denken wat de partij dacht, te voelen wat de afdeling voelde en vooral niet uit te spreken wat ze écht vond.
Spoiler: dat ging dus mis. Volgens Beels heeft de Antwerpse afdeling haar later publiekelijk laten opdraaien voor politieke flaters die van veel méér schouders kwamen. “Gezamenlijke verantwoordelijkheid”, noemt ze dat. Al zou je van de reacties vermoeden dat ‘gezamenlijk’ vooral betekent ‘iedereen behalve Jinnih’.
Een boek als dialoog (maar Conner mag eerst antwoorden)
Beels wil het geen afrekening noemen: “uitnodiging tot dialoog” klinkt vriendelijker, en eerlijk is eerlijk: minder dan een handgranaat richting Vooruit. Maar haar laatste hoofdstuk eindigt wel met een brief aan voorzitter Conner Rousseau. Daarin bedankt ze hem voor hun samenwerking… en waarschuwt ze meteen dat dit boek haar “duur kan komen te staan, misschien zelfs haar einde betekent binnen de partij”.
Vertaald naar politieke taal: “Beste Conner, ge doet ermee wat ge wilt, maar ik ben niet van plan mij nog eens te laten afschieten omdat ik eerlijk ben geweest.”
Rousseau heeft vooralsnog niet gereageerd. Dat kan twee dingen betekenen:
Hij heeft het boek nog niet gelezen.
Hij heeft het boek wél gelezen en hij zit nu bij de rechter om het boek van Jinnih uit de handel te laten nemen.
Waar het Beels écht om draait
De kern van haar verhaal is simpel: Belgische partijen zijn te machtig, partijvoorzitters te dominant en wie niet in de pas loopt, mag achteraan aanschuiven bij de politieke voedselbank. Beels pleit voor minder particratie, meer autonomie, en vooral: politici die zélf mogen nadenken zonder dat de partijlijn elke kritische gedachte de keel dichtknijpt.
Een nobel doel. Natuurlijk ook een gevaarlijk doel, want in de Vlaamse politiek mag je veel zeggen, zolang je maar nooit zegt wie er te veel macht heeft.
Maar Beels doet het tóch. En dat verdient minstens één ding: dat we haar boek lezen en daarna eens goed nadenken waarom iemand in Vlaanderen een brief naar haar eigen partijvoorzitter moet schrijven om te zeggen dat eerlijkheid misschien haar einde wordt.