Een 34-jarige Fransman, Mohamed M., hoopt alsnog op vrijspraak na een zware veroordeling voor zijn rol in een reeks diefstallen gericht op oudere mensen via 'shoulder surfing'. Door een geclaimde geestesstoornis zet zijn verdediging vraagtekens bij zijn toerekeningsvatbaarheid.
In een opmerkelijke wending binnen de Brugse rechtbank dient Mohamed M., een 34-jarige Fransman, verzet in tegen zijn eerdere veroordeling. Samen met anderen werd hij schuldig bevonden aan het bestelen van voornamelijk oudere individuen, gebruikmakend van de techniek genaamd 'shoulder surfing', waarbij in totaal 50 slachtoffers werden gemaakt.
De verdediging van Mohamed, geleid door zijn advocaat, presenteert nu een pleidooi dat steunt op de bewering dat hij lijdt aan een geestesstoornis, waardoor hij tijdens de misdrijven ontoerekeningsvatbaar zou zijn geweest. Deze nieuwe inzichten brengen een complexe lading aan de zaak, die al aanzienlijke aandacht in de media heeft gekregen door de ernst en specificiteit van de misdrijven.
De rechtbank moet nu de moeilijke taak op zich nemen om te bepalen of Mohamed daadwerkelijk ontoerekeningsvatbaar was, een beslissing die verstrekkende gevolgen zal hebben voor zowel de veroordeelde als de slachtoffers en hun families. Dit vraagstuk van toerekeningsvatbaarheid speelt een centrale rol in hoe gerechtigheid wordt gewogen tegen medische en ethische overwegingen.