Europa is tot het besef gekomen dat een kind van 13 niet automatisch dezelfde digitale gebruiker is als een volwassene van 35. En dus heeft de Europese Commissie een ‘Kids Act’ voorbereid: geen botte leeftijdsgrens weliswaar, maar een systeem waarbij jongeren naarmate ze ouder worden meer ‘vrijheid’ krijgen.
Het uitgelekte voorstel zou er ongeveer zo uitzien:
Van nul tot drie jaar zouden sociale media en andere risicovolle digitale diensten volledig uit beeld moeten blijven.
Tussen drie en dertien kunnen ouders toegang geven tot speciaal afgeschermde kinderplatformen.
Voor dertien- en veertienjarigen komen er beperktere kennismakingsaccounts.
Vanaf vijftien zouden jongeren zelfstandig een account kunnen openen.
Het plan vertrekt alvast niet vanuit het idee dat kinderen zelf het probleem zijn. Maar vinden wij dat een goed idee?
Het probleem zit misschien in de machine
Sociale media zijn niet per definitie gevaarlijk omdat kinderen nieuwsgierig zijn. Het wordt problematisch wanneer commerciële platformen die nieuwsgierigheid gebruiken om kinderen zo lang mogelijk online te houden.
Oneindig scrollen. Meldingen. Beloningen. Gepersonaliseerde filmpjes. Een algoritme dat voortdurend probeert te voorspellen wat je volgende klik wordt. Dat is geen toevallig – noch onschuldig – neveneffect, maar een verdienmodel.
Daarom is de belangrijkste zin uit de Europese ontwerptekst misschien wel dat niet de toegang van kinderen tot technologie centraal moet staan, maar de toegang van technologiebedrijven tot kinderen.
Australië koos voor de botte bijl
Australië trok een tijdje geleden de lijn veel harder. Sinds december 2025 geldt daar een verbod op sociale media voor jongeren onder de zestien jaar.
Op papier is dat duidelijk. In de praktijk blijkt het minder eenvoudig. Meer dan acht op de tien jongeren onder zestien gebruikten drie maanden na de invoering nog altijd sociale media.
Wat had je gedacht. Leeftijdscontroles omzeilen is kinderspel voor kinderen.
Een ander probleem: het gebruik verdween nauwelijks, terwijl ouders volgens de eerste evaluatie juist minder zicht kregen op wat hun kinderen online deden. Je riskeert het probleem dus deels onder de radar te duwen.
Ouders zijn geen systeembeheerders
Europa legt ook een stevige verantwoordelijkheid bij de ouders. Logisch. Een dertienjarige krijgt niet zomaar een bankkaart of de sleutel van de hele wereld zonder enige begeleiding.
Maar laten we daar ook niet naïef over doen. Ouders kunnen regels afspreken. Ze kunnen schermtijd beperken. Ze kunnen meekijken. Ze kunnen uitleggen wat cyberpesten, manipulatie en verslavend gedrag zijn. Maar ze kunnen geen leger van ingenieurs verslaan dat dagelijks bezig is met de vraag hoe een kind nog vijf minuten langer op het scherm blijft.
Ook ‘kindvriendelijk’ verdient wantrouwen
Een andere Europese piste zijn kindvriendelijke platformen. Prima, maar wie bepaalt wat kindvriendelijk is? De industrie zelf? Hallo?
Een platform kan zichzelf heel gemakkelijk een vriendelijk imago aanmeten en tegelijk dezelfde technieken gebruiken die volwassenen urenlang laten scrollen.
De vraag is dus niet alleen welke leeftijd op een account staat. De vraag is wat er achter dat account gebeurt. Een kindvriendelijk platform dat kinderen om de paar seconden nieuwe prikkels voorschotelt, is nog altijd een machine die aandacht verkoopt.
Vijftien is geen magische verjaardag
Ook de Europese leeftijdsgrenzen zijn kunstmatig. Een kind van twaalf kan digitaal verstandiger zijn dan een vijftienjarige. Kinderen en jongeren ontwikkelen nu eenmaal niet allemaal op hetzelfde tempo.
Regels zijn nu eenmaal nodig, tot spijt van wie 't benijdt. Maar regels moeten vooral de zwakste partij beschermen. En dat is niet TikTok, YouTube, Meta of een AI-bedrijf.
Een discussie zonder eind
Kinderen hebben recht op informatie, communicatie en ontspanning. Ze hoeven niet tot hun achttiende achter een digitale muur te zitten. Maar bedrijven hebben geen onbeperkt recht om hun aandacht, gegevens en kwetsbaarheden commercieel uit te buiten.
Toch dreigt de ‘Kids Act’ slappe koude koffie te worden als Europa vooral aan de voordeur de leeftijd controleert, maar het verdienmodel achter die deur ongemoeid laat.
Verbied verslavende ontwerptechnieken voor minderjarigen. Maak algoritmes controleerbaar. Leg onafhankelijke veiligheidsnormen op. Zorg voor echte leeftijdsbescherming zonder een surveillanceapparaat voor alle Europeanen te bouwen.
Dan moeten onze politici wel het lef hebben om hun vriendjes in het kruis te tasten.
Let wel, zelfs wanneer Europa strenger zou zijn, is het nog niet opgelost. Want om de leeftijd van gebruikers te controleren, zullen platformen gegevens moeten verwerken. En dan komen privacy en veiligheid meteen om de hoek kijken.
Het zou nogal ironisch zijn als Europa kinderen wil beschermen tegen Big Tech door Big Tech tegelijk nog meer informatie over ons allemaal te laten verzamelen.
De oplossing mag dus niet bestaan uit een gigantische digitale paspoortcontrole aan de ingang van het internet.
Niet het kind, maar het verdienmodel
De Europese aanpak is voorlopig geen wondermiddel. De precieze regels moeten nog worden uitgewerkt en leeftijdscontrole blijft een technisch en privacygevoelig probleem. Maar de richting is misschien interessanter dan het zoveelste pleidooi voor een totaalverbod.
Misschien.
Kinderen moeten leren omgaan met de digitale wereld. Dat hoort bij opvoeding. Maar bedrijven moeten tegelijk leren accepteren dat een kind geen onuitputtelijke bron van aandacht, data en advertentie-inkomsten is.
Dus?
Misschien moeten we onze kinderen dus inderdaad tegen zichzelf beschermen. Maar laten we vooral niet vergeten tegen wie we hen eigenlijk beschermen.
Niet tegen hun nieuwsgierigheid, maar tegen een industrie die die nieuwsgierigheid tot op de laatste seconde probeert uit te melken.
(Foto: Shutterstock)