Artonov zet dit najaar België naast Japan. Wie weet waar de art nouveau vandaan komt, herkent daarin geen toenadering maar een terugkeer.
Kijk eens traag naar een trappenhal van Horta. Naar die smeedijzeren lijn die opklimt, afbuigt, zich nergens herhaalt en toch nooit toevallig lijkt. Dat is het handelsmerk van Brussel. Het staat op onze postkaarten, het staat op de lijst van het werelderfgoed en het is voor een flink stuk beïnvloed door Japanse houtsneden die in de tweede helft van de negentiende eeuw Europa binnenwaaiden.
Onze meest Belgische stijl heeft dus opvallend veel Japans bloed. En het festival dat zich naar die stijl noemt, haalt van 4 tot 23 oktober Japan naar Brussel, alsof het na honderddertig jaar iets komt terugbrengen.
De naam die niemand ontrafelt
Artonov. Spreek het langzaam uit en je hoort waar het vandaan komt: art nouveau.
Het festival – dit jaar aan zijn twaalfde editie – vertrekt van een eenvoudige vaststelling over die stijl. De architecten van rond 1900 dachten niet in vakken. Wie een huis bouwde, tekende ook de deurklink, het glasraam, het behang, de stoel en soms de jurk van de vrouw des huizes. Het gebouw was één beweging, van de gevel tot de lepel.
Precies dat idee tilt Artonov naar de podiumkunsten. Muziek, dans, theater, mode en beeldende kunst lopen er door elkaar en de voorstellingen verlaten de klassieke zaal voor bijzondere plekken in de stad. Je komt binnen voor een concert en gaat buiten met het gevoel dat je een installatie hebt gezien.
De krul kwam van overzee
Japan was eeuwenlang zo goed als gesloten voor de buitenwereld. Vanaf het midden van de negentiende eeuw ging het land op een kier en wat daarna richting Europa vloeide, waren geen machines maar prenten. Houtsneden, waaiers, lakwerk, textiel. Parijs raakte er verslingerd aan. Er kwam zelfs een woord voor: japonisme.
Voor Europese kunstenaars was het een schok, en wel om een technische reden. Die prenten deden alles wat de westerse schilderkunst verbood. Ze sneden een figuur zonder gêne aan de rand af. Ze legden vlakke kleurvlakken naast elkaar zonder schaduw. Ze zetten het belangrijkste niet in het midden. En ze behandelden de lijn niet als de omtrek van een voorwerp, maar als het voorwerp zelf.
Zet die vier kenmerken naast een balkon in Sint-Gillis of naast een raam van Hankar en je kijkt naar dezelfde grammatica. De zweepslaglijn van de art nouveau is een Japanse gedachte in Belgisch ijzer.
Leopold II hoefde je daar niets over uit te leggen. Die liet in Laken gewoon een Japanse toren neerzetten, compleet, in het echt, aan het begin van de twintigste eeuw. Hij staat er nog.
Honderdzestig jaar, en één verdrag
De aanleiding voor deze editie is bovendien harder dan een artistieke gril.
In 1866 tekenden België en Japan een verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart. Dat is dit jaar honderdzestig jaar geleden en er hangt een heel programma aan vast, van tentoonstellingen tot koninklijke bezoeken. Artonov haakt daarop in.
Alleen doet het festival dat anders dan de meeste feestelijkheden rond zo'n verjaardag. Geen overzicht van wat twee landen samen hebben verwezenlijkt, wel de vraag wat er gebeurt als je Belgische en Japanse makers in dezelfde ruimte zet en ze laat werken.
De titel is een provocatie
De editie heet ‘We Do Not Work Alone’. Wij werken niet alleen.
Die zin komt van Kanjirō Kawai, een Japanse pottenbakker uit de vorige eeuw en een van de dragers van de mingei-beweging, de stroming die de schoonheid zocht in het gewone gebruiksvoorwerp van de naamloze ambachtsman. Kawai ging daar ver in. Hij signeerde zijn werk niet en hij weigerde de onderscheidingen die hem werden aangeboden, tot en met de eretitels van zijn eigen land.
Denk daar even over door in een cultuursector die draait op namen. Een festival over het mengen van disciplines leent zijn titel van een man die vond dat de maker er eigenlijk niet toe doet. Dat is geen sfeerzin op een affiche, dat is een aanval op het sterrensysteem waar de hele westerse kunstmarkt op rust.
Of het festival die belofte waarmaakt, zie je pas ter plaatse. Maar de lat ligt hoog, en hij is door henzelf gelegd.
De mode is het verst gegaan
In geen enkele discipline is het uiteenvallen van de hokjes zo goed te zien als in de mode. Een hedendaagse collectie is nauwelijks nog een reeks kleren. Er is muziek, licht, choreografie, decor, film. De ontwerper bouwt geen garderobe maar een wereld, en de kleding is daar één onderdeel van.
Japan heeft daar ongeveer de blauwdruk voor geleverd. Rei Kawakubo van Comme des Garçons, Yohji Yamamoto, Issey Miyake: hun werk hangt intussen even vaak in musea als in kasten en het wordt bestudeerd zoals je beeldhouwwerk bestudeert. Kawakubo maakte in 1997 een collectie met uitstulpingen op rug, heup en schouder, die de vertrouwde vorm van het lichaam compleet vervormde. Het publiek vond het lelijk. Een choreograaf zag er onmiddellijk iets anders in en maakte er een dansstuk mee.
Daar zit de verschuiving. De vraag is niet meer of iets mooi is om te dragen. De vraag is wat er met een lichaam gebeurt wanneer je het anders inpakt.
Lompen in een museum
In Artonov Lab hangt dit jaar een tentoonstelling met boeddhistische beelden en boro-textiel uit het Japanse platteland. Boro is versteld goed. Katoen in indigo, jarenlang en generatie na generatie opgelapt met wat er voorhanden was, tot een deken uit tientallen lagen bestond en het oorspronkelijke stuk stof niet meer terug te vinden was.
Het waren de lompen van de armen. Japanse families schaamden zich ervoor en gooiden ze weg zodra ze het zich konden veroorloven. Vandaag hangen ze achter glas, worden ze verzameld door modehuizen en kost een geslaagd exemplaar meer dan een nieuw pak.
Dat is de hele geschiedenis van mode in één lap stof: wat je moest dragen omdat je arm was, draag je een eeuw later omdat je het je kunt permitteren.
En het publiek staat plots in het beeld
In een gewone voorstelling zit je stil en kijk je vooruit. In een tentoonstelling wandel je rond en beslis je zelf waar je blijft staan. In een performance verdwijnt die grens: je staat tussen de makers, je loopt door de ruimte en op een bepaald moment ben je zelf onderdeel van wat er te zien is.
Voor een jong publiek dat niet spontaan een avond hedendaagse dans zou boeken, is dat de opening. Je hoeft vooraf niet te beslissen wat het is. Je moet alleen binnenstappen.
Praktisch
Artonov 2026 – We Do Not Work Alone loopt van 4 tot en met 23 oktober 2026 in Brussel. Het is de twaalfde editie, met muziek, dans, theater, mode, architectuur en beeldende kunst en een focus op de artistieke uitwisseling tussen België en Japan naar aanleiding van honderdzestig jaar diplomatieke betrekkingen.
Artonov Lab is ondergebracht in het voormalige Centrale for Contemporary Art, Sint-Katelijneplein 45, 1000 Brussel. Daar loopt de tentoonstelling The Gods of the House, met boeddhistische beelden en boro-textiel, aangevuld met een tiental avonden muziek, dans en performance. Het volledige programma speelt zich af op meerdere locaties in de stad.
(Foto: Instagram)