Logo P-magazine Regio Zoeken Rubrieken

Help, we zijn Europees kampioen

Redactie - 03-09-2026

Alles bij elkaar opgeteld, zijn wij in ons leven ruim een heel jaar lang dag én nacht onderweg van- en naar ons werk.

Eenenzestig minuten. Zo lang zit de gemiddelde Belg elke werkdag tussen zijn bed en zijn bureau: in de wagen, op de trein, op de fiets. Voor het eerst passeren we de kaap van een vol uur. Daarmee zijn we officieel Europees kampioen pendelen. Zweden (57 minuten) en Ierland (56) mogen mee op het podium, de gouden plak is voor ons.

En dat is nog maar een gemiddelde. Meer dan een op de acht landgenoten kruipt élke dag twee uur of langer achter het stuur of op een perron. Nergens in Europa ligt dat aandeel zo hoog. Die mensen malen soms meer dan honderdtwintig kilometer per dag af. Voor hun werk. Elke ochtend en elke avond opnieuw.

Wereldkampioen? Damn, nee.

Voor de twijfelachtige eer ons naar het hoofd stijgt, even de rem erop. Wereldkampioen zijn we niet. In Zuid-Korea kruipt de gemiddelde werknemer honderdacht minuten per dag heen en weer, bijna dubbel zoveel als bij ons. Een grote studie in de Proceedings of the National Academy of Sciences legde drieënveertig landen naast elkaar en zette Korea op één. En in steden als Istanbul, Lagos of Mexico-Stad duurt één enkele rit naar het werk al vlot een uur en een kwartier.

Dat is dus het gezelschap waarin we vertoeven. Megasteden die dichtslibben, landen waar de infrastructuur het simpelweg niet trekt, een schiereiland met vijftig miljoen mensen. En daar, tussen al dat geweld, staat het kleine, rijke, vlakke België. Onze titel geldt binnen Europa, en netjes binnen het clubje landen dat SD Worx bevroeg. Maar net dát maakt het pijnlijk. Zweden is uitgestrekt en leeg. Wij zijn een land dat je in een namiddag doorkruist. En toch pendelen wij het langst van heel het continent. Dat is geen prestatie. Dat is een symptoom.

Een jaar van je leven, dag én nacht

Reken even mee, want dan pas doet het écht zeer. Eenenzestig minuten per dag, grofweg tweehonderdtwintig werkdagen per jaar: dat zijn ruim tweehonderd uur onderweg. Elk jaar opnieuw. Doe dat over een loopbaan van veertig jaar en je zit aan bijna negenduizend uur.

Negenduizend uur. Dat zijn driehonderddrieënzeventig volle etmalen. Meer dan een jaar van je leven, dag én nacht, breng je door tussen je voordeur en je werk. Tel je enkel je wakkere uren, dan loopt het richting anderhalf jaar. Anders gezegd: meer dan duizend werkdagen van acht uur, verkeken op de weg ernaartoe.

Voor dat jaar krijg je niets terug. Geen loon, geen vakantiedag, geen medaille. Alleen kilometers.

Het is geen ongeluk. Het is beleid.

Dat je zo ver van je werk woont, is geen toeval en al zeker geen luiheid. Het zit ingebakken, en wel sinds de negentiende eeuw. Toen de industrie de dorpen leegzoog en de arbeiders naar de fabrieken in Gent, Aalst en Antwerpen trokken, kreeg de katholieke politiek het benauwd. Een volksverhuizing naar de steden rook naar rode wijken, stakingen en stemmen voor de socialisten. In een vroom Vlaanderen was dat wel het laatste wat men wilde.

De oplossing was even simpel als geniaal: laat die arbeider gewoon op zijn dorp wonen, onder de kerktoren, en breng hem elke ochtend met de trein naar de fabriek. De staat lanceerde spotgoedkope arbeidersabonnementen. In 1870 werden er nog geen vijftienduizend verkocht; tegen 1900 waren het er ruim vier en een half miljoen. Émile Vandervelde noemde de maatregel ronduit revolutionair, want in één klap werd heel het land één grote arbeidsmarkt.

Het werkte. De Belg bleef op zijn dorp plakken, de fabrieken draaiden, en de kerk hield haar schaapjes bij elkaar. Anderhalve eeuw later plukken we er nog altijd de zure vruchten van: een land vol lintbebouwing, iedereen met zijn eigen baksteen in de maag — zeven op de tien Vlamingen zijn eigenaar — en werk dat samengebald zit in een handvol centra. De havens van Antwerpen, Gent en Zeebrugge. De kantoren van Brussel. Verhuizen naar zijn werk doet de Belg niet/of te weinig. Hij heeft zijn huis, en zijn huis heeft hem.

En de trein dan?

Dan neem je toch gewoon de trein, zou je denken. Was het maar zo eenvoudig. Ons spoornet is nog redelijk betrouwbaar — zeker naast dat van Duitsland — maar voor de meeste pendelaars is het geen echt alternatief. Amper drie op de tien Belgen woont in een centrumstad met vlotte verbindingen naar Brussel, Gent of Antwerpen. Woon je op den buiten, dan mag je eerst nog overstappen, en tegen dan is je tijdswinst alweer verdampt.

Geen wonder dat amper een kwart van de vrouwen en achtentwintig procent van de mannen het openbaar vervoer handig en betrouwbaar vindt. Het Europese gemiddelde ligt op zesendertig procent. We geloven er dus zelf niet in. En dus rijden we liever alleen, met z'n allen tegelijk, muurvast in dezelfde file.

Zo houden we een systeem recht dat honderdvijftig jaar geleden bedacht werd om stemmen te winnen en socialisten uit de stad te houden. De kerktorens zijn intussen zo goed als leeg. De files zijn gebleven. En jij staat er middenin, eenenzestig minuten per dag, een jaar van je leven lang: kampioen van een wedstrijd die niemand wilde winnen.

(Foto: P-magazine)

Nieuws nationaal Pendelen

Reacties

Resterende karakters 500

Lees meer

Nieuwsbrief Mis nooit meer het laatste nieuws, exclusieve aanbiedingen en boeiende verhalen van P-magazine! Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief en blijf altijd op de hoogte.
Zoeken