Nederlands verplicht in Franstalig onderwijs: elementaire beleefdheid of politieke fictie?
Het voorstel van onderwijsminister Valérie Glatigny om vanaf september 2027 Nederlands verplicht te maken vanaf het derde leerjaar in het Franstalig onderwijs, is op papier logisch. In de praktijk legt het vooral een pijnlijke realiteit bloot: een land dat officieel tweetalig is, maar waar een groot deel van de bevolking de taal van zijn buren systematisch negeert.
Vandaag kiest zowat 70 procent van de leerlingen in Franstalig België voor Engels als tweede taal. Het resultaat is voorspelbaar: jongeren die afstuderen zonder ooit Nederlands te hebben geleerd, terwijl die taal nochtans de meest gesproken taal van het land is en economisch een directe hefboom naar werk vormt.
De vraag is dus niet of Nederlands verplicht moet worden. De vraag is waarom dat anno 2026 nog altijd geen evidentie is.
Een democratisch minimum
Glatigny verdedigt haar plan met twee argumenten: betere kansen op de arbeidsmarkt en een elementair democratisch besef dat men in België leeft. Dat tweede argument is misschien nog het belangrijkste.
Een federale staat kan moeilijk functioneren wanneer burgers structureel weigeren de taal van hun landgenoten te leren. Dat is geen culturele nuance, maar een institutioneel probleem. Wie meedraait in een tweetalig land, hoort minstens passief de andere landstaal te begrijpen. Niet uit nationalistische reflex, maar uit elementaire beleefdheid en bestuurlijke logica.
Het contrast met Vlaanderen is scherp. Daar is Frans al decennia verplicht vanaf het vijfde leerjaar en vaak zelfs vroeger. Het idee dat men de taal van de andere gemeenschap leert, wordt er als vanzelfsprekend beschouwd.
Aan Franstalige kant bleef dat lang een vrijblijvende keuze. Die vrijblijvendheid heeft geleid tot een structurele kloof op de arbeidsmarkt én in het politieke bestuur.
Een hoofdstad waar bestuurders de taal niet spreken
De gevolgen zijn het duidelijkst zichtbaar in Brussel, officieel tweetalig maar in de praktijk institutioneel asymmetrisch. Het blijft merkwaardig dat de hoofdstad van een tweetalig land bestuurd kan worden door politici die de taal van een groot deel van hun inwoners nauwelijks beheersen.
Een verplichte basis Nederlands in het Franstalig onderwijs zou dat probleem niet meteen oplossen, maar het zou wel een signaal geven dat tweetaligheid geen folklore is, maar een minimumvereiste voor bestuur.
Het oude probleem: geen leerkrachten
Zoals bij eerdere pogingen strandt het plan vooral op praktische bezwaren. Ook voormalig minister Caroline Désir probeerde in 2022 een gelijkaardige hervorming door te voeren, maar het tekort aan leerkrachten Nederlands torpedeerde het voorstel nog voor het echt van start ging.
Vandaag is dat tekort nog altijd de achilleshiel. Glatigny zoekt oplossingen, onder meer door mensen uit andere sectoren sneller toegang te geven tot het onderwijs en hun anciënniteit gedeeltelijk over te nemen. Maar zelfs binnen haar eigen politieke familie klinkt twijfel. MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez duwt op versnelling, terwijl de administratie vooral rekent.
Het risico is duidelijk: opnieuw een ambitieus plan dat strandt op de realiteit van lege lerarenkamers.
Haalbaar tegen 2027?
Of Nederlands effectief verplicht wordt vanaf 2027, hangt minder af van politieke wil dan van organisatorische capaciteit. Zonder duizenden extra lesuren en voldoende opgeleide leerkrachten blijft het voorstel een beleidsintentie in plaats van een hervorming.
Toch is de richting juist. Niet omdat Vlaanderen dat wil, maar omdat een federale staat simpelweg niet kan draaien wanneer burgers structureel langs elkaar heen leven.
De echte vraag is dus niet of Franstalig België Nederlands kan verplichten.
De vraag is of het zich nog kan permitteren het níét te doen.
(Foto: AI-P-magazine/Chat GPT)