Meer dan een kwart miljoen mensen namen in 2025 een flexi-job op in België — maar van die groep komt amper 3,2 procent uit Brussel. Terwijl het systeem in Vlaanderen recordpopulariteit bereikt, blijft de hoofdstad ver achter. Wat maakt Brussel zo anders?
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) telde in 2025 liefst 261.868 flexi-werknemers in ons land — een stijging van veertien procent tegenover 2024. Van die groep komt 82,9 procent uit Vlaanderen, 13,8 procent uit Wallonië en slechts 3,2 procent uit het Brussels gewest.
Ter vergelijking: het arrondissement Antwerpen telt alleen al 29.939 flexi-werknemers. Zelfs Kortrijk en Aalst halen hogere cijfers dan de volledige Brusselse hoofdstedelijke regio. Het verschil is zo groot dat het niet zomaar toeval kan zijn.
Vlaamse markt, Vlaamse vraag
Jasper Hubeau, directeur van de financiële en statistische dienst van de RSZ, geeft een eerste verklaring. "Het thema flexi-jobs leeft veel meer in Vlaanderen", zegt hij. "Het is een groter agendapunt bij de Vlaamse politieke partijen en je merkt ook bij ons onderzoek dat de Vlaamse media er veel meer over berichtgeven."
Een statistische of structurele reden voor het lage Brusselse cijfer heeft de RSZ zelf niet. "We hebben geen statistische verklaring voor de lagere cijfers in Brussel", erkent Hubeau. "Wel is het sowieso duidelijk dat het aantal flexi-jobbers over het hele land stijgt, ook in Brussel." In 2024 waren er 6.698 Brusselse flexi-werknemers, in 2025 al 8.421 — een duidelijke groei, al blijft het aandeel klein.
Vakbonden en een andere arbeidscultuur
Christophe Vanroelen, arbeidssocioloog aan de VUB, schetst een breder patroon. "Het is een patroon dat we ook zien bij andere flexibele arbeidsregimes in die delen van het land", legt hij uit. "Zo zien we in Brussel het belang van de dienstencheques en lage aantallen uitzendkrachten in vergelijking met Vlaanderen. Opvallend is ook dat studentenjobs veel populairder zijn in Vlaanderen, ondanks de hoge populatie aan studenten in Brussel."
Een deel van het antwoord zit ook in de structuur van de Vlaamse arbeidsmarkt. "Vlaanderen telt veel meer jonge gepensioneerden. De tewerkstellingsgraad is hoger en de krapte op de arbeidsmarkt is daarom ook hoger", zegt Vanroelen. "Er zijn dus meer Vlamingen die in aanmerking komen om flexi-jobs uit te oefenen en er is misschien ook meer nood aan omdat er minder vaste werkkrachten beschikbaar zijn."
Maar bovenal speelt de rol van de vakbonden. "In Franstalig België en Brussel is er meer schroom hierrond, ook onder invloed van de vakbonden", stelt Vanroelen. "De vakbondsaanhang in Franstalig België is nog groter dan in Vlaanderen. Vooral de socialistische vakbond is sterk verankerd in Brussel en Wallonië en de vakbonden staan terecht zeer sceptisch tegenover flexi-jobs."
Kritiek blijft, uitbreiding komt eraan
Die scepsis is niet uit de lucht gegrepen. De vakbonden wijzen erop dat vaste banen en jobs voor laaggeschoolden onder druk komen. De RSZ-cijfers bevestigen een zorgwekkende trend: 7,3 procent van de werkgevers die in 2025 flexi-jobbers inhuurden, nam geen enkele vaste werknemer meer in dienst. Daarnaast loopt de overheid belastinginkomsten mis, want flexi-lonen zijn vrijgesteld van belastingen en werknemersbijdragen.
Toch blijft de politieke richting duidelijk: de regering-De Wever wil het systeem vanaf juli 2025 uitbreiden naar alle sectoren. Federaal minister van Werk David Clarinval (MR) draait de logica zelfs om — sectoren moeten voortaan een akkoord sluiten als ze flexi-jobs willen weigeren, in plaats van juist om ze toe te staan.
Of dat Brussel mee in het flexi-verhaal trekt, zal de tijd uitwijzen. "Gezien de versoepeling van de regels en de toenemende bekendheid van flexi-jobs acht ik het reëel dat ze ook in Brussel een stuk populairder zullen worden", besluit Vanroelen.