Ook sojaworst moet eraan geloven, Hansworst mag blijven.
Het Europees Parlement heeft zich deze week over een zaak van groot moreel belang gebogen: de identiteit van de worst. Voortaan mogen woorden als burger, steak en worst enkel nog gebruikt worden voor producten waarin effectief vlees zit. De consument zou anders in de war kunnen raken, zeggen ze daar in Brussel.
Het zal de opvang in de psychiatrie allicht verlichten. Want stel je maar eens voor dat een vleeseter niets vermoedend in een veggieburger bijt en plots groenten proeft. Of was het andersom? Nee hoor, de vraag kwam vanuit de vleesindustrie. Je meent het? Jawel.
Nu goed, het zal ons worst wezen.
De semantiek van de hypocrisie
Het gaat in Brussel al lang niet meer over wat mensen eten, maar over wat ze mogen zeggen dat ze eten. Een “veggieburger” mag dus niet, maar een “hybride schnitzel” – half kip, half kikkererwt – kan perfect. Blijkbaar is het Europese idee van eerlijkheid dat je wél mag liegen over de inhoud, zolang het woord “burger” er niet in voorkomt.
De Europese vleeslobby heeft een meesterzet gedaan: niet door beter vlees te maken, maar door de concurrentie taalkundig uit te schakelen.
Hansworst blijft gevrijwaard
De existentiële vraag die niemand in het halfrond durfde te stellen: waarom mag Hansworst nog wel, maar sojaworst niet? Blijkbaar is er geen gevaar op verwarring als een Duitser Hans heet en een worst is, maar wel als een plantaardig product zich zo noemt. Een vleesetiket is voortaan cultureel erfgoed.
Een worst om van te huilen
Misschien moeten we dit besluit gewoon zien voor wat het is: een teken van morele paniek in een continent dat niet meer weet wat écht belangrijk is. Terwijl boeren failliet gaan en klimaatrapporten verstoffen, discussiëren 355 Europarlementsleden over de naam van een worst die niet naar vlees smaakt.
Wat hebben we vandaag geleerd?
Een sojaworst mag niet meer zo heten, maar de echte Hansworst mag gewoon blijven zitten in Brussel. En die heeft, zoals steeds, goed gegeten.
(Foto: AI/P-magazine)