Wie profiteerde van de energiecrisis en wie draait nu voor de rekening op?
Meer dan 1 miljard euro aan crisisheffingen wordt er door elektriciteitsproducenten en oliebedrijven aangevochten. Begrijpelijk vanuit hun boekhouding, maar voor de gewone consument klinkt het wrang: toen de energieprijzen explodeerden, betaalde iedereen. Nu de staat een deel van de uitzonderlijke opbrengsten afroomde, trekken de bedrijven naar de rechtbank.
De energiecrisis van 2022 en 2023 ligt alweer enkele jaren achter ons. De torenhoge elektriciteits- en gasprijzen zijn uit het dagelijkse nieuws verdwenen, maar financieel is de crisis nog lang niet afgesloten.
Integendeel.
De Belgische staat wordt geconfronteerd met een juridische tegenaanval van energiebedrijven die samen ongeveer 1,1 miljard euro aan opgelegde crisisheffingen betwisten. Het grootste deel daarvan werd al betaald. De bedrijven proberen dat geld nu via gerechtelijke procedures terug te krijgen.
De discussie is juridisch complex. Maar ze legt tegelijk een ongemakkelijke vraag op tafel: wat gebeurt er wanneer bedrijven in een uitzonderlijke crisis uitzonderlijke inkomsten boeken?
Mogen ze die volledig houden?
Of mag de overheid een deel ervan terughalen wanneer gezinnen en ondernemingen tegelijk geconfronteerd worden met ongeziene energiefacturen?
De staat roomde de uitzonderlijke inkomsten af
Na de Russische inval in Oekraïne schoten de energieprijzen in 2022 omhoog. De Europese Unie gaf lidstaten de mogelijkheid om een deel van de uitzonderlijke inkomsten van energieproducenten af te romen.
België ging daarbij verder dan het Europese minimum.
Elektriciteitsproducenten moesten inkomsten boven bepaalde prijsdrempels afstaan. Voor verschillende producenten werd die grens in België op 130 euro per megawattuur gelegd, tegenover 180 euro in het Europese kader.
Ook de oliesector kreeg een solidariteitsbijdrage opgelegd.
Het resultaat: de Belgische staat inde honderden miljoenen euro's.
Nu willen verschillende bedrijven een groot deel daarvan terug.
Meer dan 200 procedures
De juridische strijd is omvangrijk.
Elektriciteitsproducenten hebben volgens cijfers van de Federale Overheidsdienst Economie meer dan 200 geschillendossiers aangespannen. Samen betwisten ze ongeveer 1 miljard euro van de 1,3 miljard euro aan overwinstbelasting die over 2022 en 2023 werd betaald.
In de oliesector gaat het om vijf procedures voor samen ongeveer 70 miljoen euro.
Onder de bedrijven die zich verzetten tegen de heffingen zitten grote namen als Engie Electrabel en Luminus, maar ook spelers uit de olie- en opslagsector.
Engie wil 746 miljoen euro terug
De grootste claim komt van onze grote vriend Engie Electrabel.
De uitbater van de Belgische kerncentrales betaalde in 2022 en 2023 naar eigen zeggen 746 miljoen euro aan overwinstbelastingen en vecht die heffing juridisch aan.
Het bedrijf voert onder meer aan dat er eerder afspraken met de Belgische overheid waren gemaakt over de nucleaire centrales Doel 1 en Doel 2.
Dat wordt uiteindelijk een juridische kwestie.
Maar er is ook een maatschappelijke kwestie.
Want terwijl energiebedrijven nu procederen om honderden miljoenen terug te krijgen, zaten gezinnen tijdens dezelfde crisis met energiefacturen die voor velen nauwelijks nog betaalbaar waren.
De crisis betaalde iedereen
De energiecrisis was niet alleen een probleem voor de elektriciteitsproducenten. Gezinnen zagen hun voorschotfacturen exploderen. Bedrijven kregen hogere productiekosten. Horecazaken, winkels en zelfstandigen zagen hun energiefacturen stijgen. De overheid moest ingrijpen met steunmaatregelen om te vermijden dat de energiefactuur voor duizenden gezinnen onbetaalbaar werd.
De samenleving betaalde dus mee voor de crisis.
Wanneer vervolgens wordt vastgesteld dat bepaalde bedrijven dankzij die uitzonderlijke marktomstandigheden uitzonderlijke inkomsten realiseren, is het niet vreemd dat de overheid daar een deel van wil afromen. Toch?
Maar daar begint het juridische steekspel.
"Belasting op omzet"
De sector vindt de heffingen onrechtvaardig. Marc Van den Bosch van sectorfederatie FEBEG wijst erop dat sommige bedrijven volgens hem werden belast op basis van veronderstelde inkomsten, zonder dat voldoende rekening werd gehouden met de werkelijke kosten. Volgens die redenering konden bedrijven zelfs een heffing verschuldigd zijn wanneer ze tijdelijk stil lagen of verlies maakten.
Maar is dat niet wat kort door de financiële bocht?
Het is verleidelijk om medelijden te hebben met een onderneming die beweert dat een belasting haar continuïteit bedreigt. Maar laten we de verhoudingen niet vergeten.
Een gezin dat tijdens de energiecrisis plots honderden euro's extra per maand moest ophoesten, kon geen beroep doen op een juridische procedure om zijn energiefactuur terug te vorderen.
Een zelfstandige die zijn zaak nauwelijks nog rendabel kreeg door stijgende energieprijzen kon evenmin zeggen: ik betaal deze factuur voorlopig niet, want ik stap naar het Grondwettelijk Hof.
De burger betaalde.
De ondernemer betaalde.
En de overheid betaalde.
Overwinst is geen scheldwoord
Er wordt nogal snel gedaan alsof een overwinstbelasting een soort straf op ondernemerschap is. Een bedrijf mag winst maken. Veel winst zelfs. Daar is niets mis mee. Maar wanneer een uitzonderlijke geopolitieke crisis ervoor zorgt dat bepaalde sectoren inkomsten realiseren die nauwelijks nog verband houden met normale marktwerking, kan de vraag worden gesteld of een deel daarvan terug naar de samenleving mag vloeien.
Daar gaan we weer?
Door de geopolitieke spanningen zijn energieprijzen opnieuw een politiek aandachtspunt. Binnen Vooruit klinkt al de vraag om opnieuw naar een overwinstbelasting voor de oliesector te kijken.
Premier Bart De Wever staat daar voorlopig terughoudend tegenover. Volgens hem is een nationale overwinsttaks zonder een stevig Europees kader een riskante onderneming. Nu beslissen om te beginnen afromen om de begroting te helpen, is op dit eigenste moment misschien niet echt verstandig.
De rekening ligt nog op tafel
De juridische procedures zullen nog jaren aanslepen. Het Europees Hof van Justitie moet zich eerst over verschillende vragen buigen. Daarna volgen mogelijk nieuwe procedures bij Belgische rechtbanken en hoven.
Het kan dus nog tot 2027 of zelfs 2028 duren voor er duidelijkheid komt over een deel van de heffingen.
Mogen we tegen die tijd nog altijd deze fundamentele vraag stellen: als de samenleving tijdens een crisis de rekening betaalt, is het dan werkelijk zo onredelijk dat bedrijven die in diezelfde crisis uitzonderlijke inkomsten boeken, ook een uitzonderlijke bijdrage leveren?
De energiebedrijven vinden van wel.
De Belgische staat vindt van niet.
En ondertussen ligt er ruim 1 miljard euro op tafel.
Geen theoretische discussie dus.
Gewoon heel veel geld.