De NAVO-norm van 5 procent botst op Belgische realiteit.
De NAVO-top van Den Haag is pas dinsdag, maar de krijtlijnen zijn al getrokken. De lidstaten sturen aan op een forse verhoging van hun defensiebudgetten, met een nieuwe richtlijn van maar liefst 5 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Voor België zou dat een financiële en praktische aardverschuiving betekenen. Waar het huidige defensiebudget rond 1,3 procent van het bbp schommelt, zou het nieuwe streefdoel een verdubbeling van het voorziene bedrag betekenen. Concreet: van 7,6 miljard euro per jaar naar zo’n 30 miljard.
De steun voor de zogenaamde ‘Den Haag Defensiebelofte’ is opvallend breed. Zelfs landen die doorgaans een voorzichtige begrotingspolitiek voeren, lijken zich achter de nieuwe norm te scharen. Spanje stribbelde aanvankelijk tegen, maar liet zich uiteindelijk ringeloren door een wat genuanceerdere formulering van het akkoord. België daarentegen keerde met lege handen terug van eerdere pogingen om een tegenfront te vormen. De internationale stemming is duidelijk: wie onder de lat blijft, telt binnenkort niet meer mee.
Een norm die België nek omwringt
De implicaties voor België zijn aanzienlijk. Een verdubbeling van het defensiebudget zou betekenen dat meer dan driekwart van het federale werkingsbudget naar militaire uitgaven zou gaan. Zelfs een kind met een spaarvarken begrijpt dat dit onmogelijk te verzoenen valt met de al torenhoge noden in gezondheidszorg, onderwijs, pensioenen of klimaat. In de praktijk is het financieel quasi onhaalbaar om zo’n sprong te maken, zeker op korte termijn.
Het is niet alleen een kwestie van geld. Een plotse toename van investeringen botst ook op de realiteit van lange leveringstermijnen in de defensie-industrie, krapte op de arbeidsmarkt, en een ondergefinancierde en onderbemande krijgsmacht die de extra middelen simpelweg niet operationeel verwerkt krijgt. Nieuwe tanks en vliegtuigen kopen is één ding; ze bemannen, onderhouden en inzetten is een ander verhaal.
Wat betekent 5 procent van het bbp voor defensie-uitgaven?
Wanneer een land stelt dat het 5 procent van zijn bruto binnenlands product (bbp) aan defensie besteedt, betekent dat concreet dat 1 op de 20 euro van de totale jaarlijkse economische productie wordt aangewend voor militaire doeleinden. Dat omvat alles van personeel en salarissen tot wapensystemen, infrastructuur, onderhoud en investeringen in nieuw materieel.
Voor België, met een bbp van 585 miljard euro in 2023, zou een defensiebudget van 5 procent neerkomen op zo’n 30 miljard euro per jaar. Ter vergelijking: vorig jaar gaf de Belgische federale overheid 7,6 miljard euro uit aan defensie, goed voor 1,3 procent van het bbp. De overheidsinkomsten bedroegen in datzelfde jaar 256,4 miljard euro, wat betekent dat een verviervoudiging van het defensiebudget een bijzonder zware wissel zou trekken op de federale kas.
De bokken sprongen hoger dan de geiten
De discussie raakt aan een fundamenteler probleem: de NAVO blijft haar normen vastpinnen op een percentage van het bbp, los van concrete capaciteiten of strategische noden. Het gevolg is een race naar budgettaire omvang, waarbij landen zich blauw betalen aan defensie-uitgaven zonder garantie op een betere veiligheid. Pensioenen van oud-militairen en investeringen in civiel-militaire structuren tellen immers evengoed mee in dat magische percentage, ook al dragen ze nauwelijks bij aan militaire slagkracht.
Met andere woorden: 5 procent van het bbp pompen in defensie is niet automatisch synoniem met een verhoogde paraatheid of betere afschrikking. Een materieel arsenaal is waardeloos zonder voldoende geschoold personeel en zonder coherente doctrines en interoperabiliteit tussen de NAVO-lidstaten.
Een lege kazerne vol gave speeltjes
Zelfs al zou België miljarden extra investeren in modern materieel, dan nog blijven fundamentele knelpunten overeind. Het personeelsbestand van de Belgische krijgsmacht is momenteel ondermaats en groeit amper. Het opleiden van nieuwe rekruten en reservisten is een traag proces, dat bovendien beperkt wordt door lage instroom, hoge uitstroom en beperkte aantrekkingskracht van een carrière bij Defensie.
Zonder voldoende mensen op het terrein dreigt men in een absurde situatie terecht te komen waarbij het materieel voorhanden is, maar letterlijk niemand beschikbaar is om het te gebruiken. Legerkazernes die vol staan met dure systemen die niemand kan bedienen, zullen de NAVO-operaties niet vooruit helpen. Laat staan de veiligheid van Europa verhogen. Het enig échte effect is een wachtrij bij het OCMW.
Realiteit boven retoriek
Een norm van 5 procent klinkt indrukwekkend op papier en is politiek aantrekkelijk als symbool van daadkracht. Maar wie de realiteit onder de loep legt, ziet vooral een hachelijke evenwichtsoefening tussen budgettaire draagkracht, praktische haalbaarheid en strategische meerwaarde. België kan zich nauwelijks veroorloven om structureel jaarlijks 30 miljard euro aan defensie te besteden. En zelfs indien het zou kunnen, is de vraag of dit de juiste weg is naar meer veiligheid, om het woord vrede niet te noemen.
Het narratief van de defensiespecialisten is helder: er moet meer worden geïnvesteerd in veiligheid. Maar of dat via een strak percentage moet, en of 5 procent daarvan de juiste lat is, blijft – zelfs binnen het narratief – voer voor discussie. België zal elk jaar een tandje – zeg maar: tand – moeten bijsteken, maar een sprint naar een arbitrair doel kan eindigen in een budgettaire spagaat.
(Foto: Shutterstock)