Stadsvereniging Bral vervult al tien jaar een kritische rol in stedenbouwkundige dossiers in Brussel. Maar dat pakt de vzw nu mogelijk zuur. Minister Dirk De Smedt wil de jaarlijkse subsidie van 100.000 euro schrappen — omdat Bral procedures durft op te starten tegen het Gewest zelf.
Tien jaar kritische partner, nu plots een probleem
Bral is geen gewone vereniging. De Brusselse stadsvereniging houdt al een decennium de vinger aan de pols bij stedenbouwkundige dossiers in het Brussels Gewest. Ze analyseert bouwprojecten, vertegenwoordigt burgers in inspraakprocedures en trekt zo nodig naar de rechtbank als ze meent dat iets niet door de beugel kan.
Die aanpak heeft Bral een stevige reputatie opgebouwd als stem van het middenveld. Maar die kritische rol lijkt nu een prijs te hebben. Minister van Begroting Dirk De Smedt (Anders) wil de gewestelijke subsidie van 100.000 euro schrappen.
Zijn redenering is opvallend direct: hij subsidieert geen organisaties die procedures opstarten tegen het Gewest. Met andere woorden: wie kritisch is, dreigt de geldkraan te zien dichtdraaien.
"Wij spelen gewoon onze rol"
Geoffrey Usé, hoofd van Bral, reageert nuchter maar resoluut. "Wij spelen gewoon onze rol als middenveldorganisatie", zegt hij. Dat is precies wat van een stadsvereniging verwacht wordt: meedenken, controleren en indien nodig aanvechten.
Voor Bral en gelijkaardige organisaties is naar de rechtbank stappen geen daad van ongehoorzaamheid, maar een instrument van rechtmatige burgerparticipatie. Het is hoe het systeem hoort te werken. Als een overheid een beslissing neemt die burgers of het middenveld onrechtmatig achten, bestaat er een juridische weg om dat te betwisten.
Dat de minister net dat gedrag als reden opgeeft om subsidies stop te zetten, roept vragen op. Niet alleen bij Bral zelf, maar ook bij bredere kringen die de vrijheid van het middenveld bewaken.
Een bredere trend?
Bral is niet alleen. Ook vzw IEB (Inter-Environnement Bruxelles) dreigt zijn subsidie te verliezen om gelijkaardige redenen. Beide organisaties worden al langer omschreven als 'te kritisch' door bepaalde politieke actoren in het Brussels Gewest.
Voor middenveldorganisaties die hun bestaansreden halen uit het bewaken van stedelijke besluitvorming, is dit een verontrustend signaal. Als overheidssubsidies voorwaardelijk worden aan het niet-aanvechten van diezelfde overheid, wordt de onafhankelijkheid van het middenveld structureel uitgehold.
De kwestie raakt aan een gevoelig debat: tot hoever mag een overheid haar subsidiebeleid gebruiken om kritische stemmen monddood te maken? En wat betekent dat voor de vrijheid van meningsuiting en de democratische controle in onze steden?
Het antwoord op die vraag zal mee bepalen hoe Brussel — en bij uitbreiding andere steden en gewesten — omgaat met het maatschappelijk middenveld in de komende jaren.