Wie de mening van N-VA niet deelt, heeft een persoonlijk probleem, is onverantwoord en onvolwassen.
Het vragenuurtje in de Kamer leek donderdag meer op een speelplaatsdiscussie dan op het hoogste forum van de Belgische democratie. Premier Bart De Wever en luchtgitarist Vincent Van Quickenborne botsten frontaal, met beschuldigingen over “gedragsproblemen”, “persoonlijke feiten” en een vermeend gebrek aan volwassenheid.
Een debat over fraude dat ontspoort in slecht theater
De aanleiding was op papier ernstig genoeg: vragen over een nieuwe wet die fiscale fraude sneller moet opsporen – dezelfde wet waar Van Quickenborne zich 45 uur lang tegen verzette – én het plan voor een databank met ziektebriefjes. Maar nog voor de technische argumenten goed en wel aan bod kwamen, kwamen er ‘steken’ over en weer.
De Wever speelde in op Van Quickenbornes marathondebat en diens gemberthee-anekdote. De plagerige opmerking draaide al snel richting persoonlijke aanval. De liberale fractie reageerde zichtbaar geïrriteerd, waarna Van Quickenborne prompt een “persoonlijk feit” inriep.
Van dossier naar diagnose
Toen De Wever daarop repliceerde dat bij de voormalige minister “alles een persoonlijk feit is”, en er bovenop aan toevoegde dat Van Quickenborne “een persoonlijk probleem” heeft, verdampte het inhoudelijke debat volledig.
Van Quickenborne sprak van een insinuatie “beneden alle peil”. De premier verduidelijkte vervolgens dat hij doelde op “een gedragsprobleem” en dat hij bij het Kamerlid “geen volwassen gedrag” observeerde. Na de collectieve zucht door de zaal, trok hij de uitspraak weer in.
Wie is hier nu de kleuter aan tafel?
De korte maar felle woordenwisseling tussen Bart De Wever en Vincent Van Quickenborne was meer dan een verbaal incident. Het was een symptoom. Een herkenbaar patroon, zelfs. Want telkens wanneer iemand de N-VA-lijn niet volgt — binnen of buiten de Kamer — verschijnt diezelfde reflex: de ander is emotioneel, onvolwassen, onverantwoordelijk of, zoals nu, “heeft een probleem”.
Het is een retoriek die De Wever en zijn partij al langer hanteren: de discussie niet winnen door argumenten, maar door de tegenpartij weg te zetten als iemand die eigenlijk niet in staat is om een ernstig debat te voeren. Kinderlijk gedrag, kleuterpolitiek, of — zoals donderdag — een “gedragsprobleem”.
“Ik ben de weg, de waarheid en het leven”
Vanuit N-VA-logica is het politieke spectrum eenvoudig: wie de partij volgt, is verantwoordelijk en rationeel. Wie dat niet doet, is op zijn minst verdwaald, en vaak ook ontspoord. Dat was zo bij de begrotingsonderhandelingen, bij de institutionele debatten, bij fiscale hervormingen, bij de migratienota’s, en nu opnieuw in een plenaire zitting die normaal over fraudebestrijding had moeten gaan.
Het ironische is dat die strategie vooral duidelijk maakt hoezeer de meerderheidspartijen in de Wetstraat de laatste maanden zelf richting speelplaats evolueren. Slagzinnen vervangen argumenten, dunne steken vervangen dossiers, en persoonlijke insinuaties verdringen de inhoud die ze geacht worden te bespreken. Het is politiek als peutertuinlogica: wie het hardst roept, wie het meest verontwaardigd kijkt, wie het meest op de ander wijst, wint één minuut aandacht maar geen gram geloofwaardigheid.
Als iedereen volgens de regeringsleider een kleuter is die nog moet leren stilzitten, wie staat er dan zelf aan het hoofd van de klas?
Wie heeft hier het grootste probleem?
- de man die 45 uur spreektijd gebruikt om een wet te blokkeren?
- de premier die zijn koel hoofd verliest in een debat dat hij zelf moet leiden?
- of een politiek systeem dat zo vastzit dat elke mening die afwijkt meteen verdacht wordt gemaakt?
Wat er donderdag gebeurde, was niet alleen een clash tussen twee politici, maar een demonstratie dat de Wetstraat meer dan ooit de trekken heeft van een kleutertuin waar niemand nog zeker weet wie de volwassene in de ruimte zou moeten zijn.
(Foto: PD)