En dat zouden we te danken hebben aan… de regering De Croo?
Plots is het overal goed nieuws. België zou tot de Europese top behoren wat armoedebestrijding betreft. Het aantal mensen onder de armoedegrens is “ongezien” gedaald, zeggen de cijfers. Professoren spreken van een spectaculair succesverhaal. En de media nemen het gretig over, netjes verpakt als lichtpuntje in sombere tijden.
Maar zoals wel vaker bij dit soort jubelberichten rijst een ongemakkelijke vraag: waarom krijgen we dit verhaal precies nu opgediend — en wie heeft er baat bij?
Volgens de officiële cijfers leeft vandaag nog ongeveer 11 procent van de Belgen onder de armoededrempel. Dat is inderdaad lager dan enkele jaren geleden. In vergelijking met 2019 zouden zo’n 400.000 mensen “uit de armoede” zijn verdwenen. België zou daarmee bijna het beste jongetje van de Europese klas zijn, op Tsjechië na.
Het klinkt geruststellend. Te geruststellend.
Armoede daalt… op papier
De daling wordt toegeschreven aan het beleid van de regering-De Croo: coronasteun, tijdelijke premies, verhogingen van uitkeringen en minimumlonen, en een gunstige arbeidsmarkt. Allemaal juist. Maar het gaat hier vooral om budgettair uitzonderlijke maatregelen, ingevoerd in een crisissituatie en gefinancierd met miljarden aan extra schuld.
Met andere woorden: dit is geen structurele hervorming van het armoedeprobleem, maar het statistische na-effect van noodbeleid. Zodra dat beleid wordt afgebouwd — en dat gebeurt nu al — dreigt het plaatje snel te kantelen.
Toch presenteren veel media dit alsof België definitief heeft afgerekend met armoede. Alsof het probleem grotendeels is opgelost, en verdere investeringen dus niet langer prioritair zijn.
Handig narratief in tijden van besparingen
En daar wringt het schoentje. Want net nu deze “ongeziene daling” wordt uitvergroot, voert de huidige regering een streng besparingsbeleid. De laagste uitkeringen stijgen niet meer bovenop de index. Langdurig werklozen verliezen hun uitkering. Sociale correcties worden afgebouwd onder het mom van budgettaire discipline.
In dat licht krijgt het optimistische armoedenarratief een andere betekenis. Het werkt als morele rugdekking voor besparingen. De impliciete boodschap is duidelijk: kijk, het gaat eigenlijk best goed. Zo arm zijn we niet. Dus kan er best wat gesnoeid worden?
De vraag dringt zich op of dit nieuws niet vooral dient als een opstekertje voor beleidsmakers die moeilijke beslissingen willen verantwoorden. Of als voorbereiding op een verhaal dat we de komende jaren vaker zullen horen: besparen doet pijn, maar het kan, want de cijfers tonen vooruitgang.
Minder arm dan we denken?
Dat België rijker is dan het zichzelf vaak voorstelt, klopt. Maar armoede herleiden tot een percentage onder een statistische drempel is een comfortabele versimpeling. Wie net boven die grens zit, worstelt nog altijd met hoge huurprijzen, energie-onzekerheid en onzekere jobs. Vooral in steden als Brussel, waar één op vier mensen officieel arm blijft, klinkt het triomfalisme ronduit cynisch.
Bovendien zegt het nationale gemiddelde weinig over regionale ongelijkheid. West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant scoren goed, Wallonië en Brussel ronduit slecht. Dat verschil wordt netjes vermeld, maar zelden politiek doorgeduwd tot de kernvraag: welk economisch model produceren we eigenlijk?
Goed nieuws met een houdbaarheidsdatum
Zelfs de experts temperen het optimisme. Hoe lager het armoedeniveau, hoe moeilijker verdere daling wordt. En de maatregelen die dit resultaat mogelijk maakten, lopen af. Met andere woorden: dit succesverhaal heeft een houdbaarheidsdatum.
Toch kiezen veel media ervoor om het verhaal nu groot te brengen, zonder die context centraal te zetten. Dat is geen toeval. Goed nieuws verkoopt rust. En rust is politiek nuttig wanneer er tegelijk wordt gesneden in sociale bescherming.
De echte vraag is dus niet of de armoede tijdelijk gedaald is. De vraag is of we straks bereid zijn te investeren om te vermijden dat ze opnieuw stijgt — of dat dit “positieve signaal” vooral bedoeld is om ons alvast te laten wennen aan het idee dat er minder moet, kan en mag.
En dat we, als het erop aankomt, vooral moeten besparen. Want zo arm zijn we toch niet?
(Foto: Shutterstock)